Navigatiebalk
 

Sybe I. Rispens

 

Het Berlijnse werk van

Jan Commandeur

Melancholie (185x145cm) olieverf op linnen 1997 particuliere collectie Sybe I. Rispens is auteur in Berlijn
   


Het Berlijnse werk van Jan Commandeur zit vol gebalde woede. Donkerrood en zwart duwen groen bijna van het doek. Soms zelfs lijkt het groen, de kleur die zo kenmerkend is voor Commandeur, vertrapt te worden door een dreigend zwart. Een donkere massa, het lijkt wel gestold bloed, vloeit in een onverschillige, okerkleurige aarde. Een rode vuurgeest kolkt tegen een witte achtergrond. Hij vecht tegen koele, rechtopstaande spijlen. Onrust en agressie zetten de toon van deze beelden.
Maar er zijn ook rustiger momenten: bos, een bloem, een heldere hemel. Soms is het een tastend zoeken. In lichte tinten wordt er gespeurd naar iets wat er niet meer lijkt te zijn. Een rode kelk, die fragiel maar toch overeind staat, op een smetteloos witte achtergrond. Een ander moment stemt diep blauw nadenkelijk. Een herinnering aan een lieflijk moment, of een moment van verzoening? De rode vlek in het doek maakt dat de toeschouwer niet zoveel vertrouwen in de schijnbare rust heeft: onder de herinnering schuilt de pijn en de verzoening is maar tijdelijk. In het volgende schilderij spatten de kleuren weer op het doek. Tomeloze onrust vaagt de hereniging met zichzelf en met het verleden weg. Het stormt en woelt in de schilderijen van Jan Commandeur.

Als er iets kenmerkend is aan het Berlijnse werk van Commandeur, dan is dat een omslag in de blik van de schilder. Van de wijdse perspectieven en soms zelfs de overmoedige beelden vanuit vogelvlucht is geen spoor meer. In de Duitse hoofdstad is er voor de Nederlandse schilder geen horizon, geen zee, geen wijds uitzicht. De blik is naar
Het Berlijnse werk van Jan Commandeur zit vol gebalde woede.   beneden gericht, naar de grond. Daar vindt de schilder verwelkende bloemen, dode bladeren en slechts hier en daar een teken van leven. Leven, dat niet zomaar een voortzetting wil zijn van de Nederlandse landschapschilders. Commandeur schildert geen waarneembare feiten en zijn streven is nooit gericht op de zo zuiver mogelijke weergave van een natuurlijk panorama. Zijn landschappen imiteren niet, maar representeren een aspect uit die werkelijkheid _ een karakteristieke lichtinval, een kleur die hem tot de verbeelding spreekt. Het representeren van een stuk landschap vanuit de eigen herinnering gaat in het Berlijnse werk van Commandeur zo ver, dat zijn oogopslag soms niet meer buiten zichzelf uitkomt. De schilderkunst lijkt voor hem steeds meer een mogelijkheid te zijn geworden de aporiën van het leven zelf te thematiseren.
De geladenheid die in de abstracte landschappen schuilt, raakt daarbij steeds meer overstemd door innerlijk geweld. Daarmee verschuift ook de thematiek van zijn werken. Er is een duidelijke beweging te zien van het eeuwige ontstaan en vergaan in de natuur naar het onveranderlijke, tijdloze wezen van de dingen. Commandeur schildert om zo te zeggen steeds meer een oerbeeld van het landschap, als concrete landschapsbeelden. Daar-bij zeggen die oer-landschappen steeds minder over dat wat buiten hem is, als wat binnen in hem afspeelt. De 'landschappen' worden steeds meer 'stemmingslandschappen'. Zijn werk wordt daarmee ook reflexiever, filosofischer, tijdlozer. Hij trekt de natuur in zichzelf, waarmee hij die gaat ervaren als een uitvloeisel van zijn wezen.

Toegang tot het onzegbare in ons en daarmee tot het geheim van de natuur, zo wil het de romantische geest van Jan Commandeur. Maar anders dan de romantici van de vorige eeuw snakt hij niet naar de ongerepte natuur, woest, steeds wisselend, imposant en pittoresk. Daarvoor bewaart hem zijn achtergrond op het platteland. Wie als kind is opgegroeid met de plicht van het werk op het land en de verstikkende plattelandsatmosfeer tegen iedereen die afwijkt van het gangbare, romanticeert er niet op los over koetjes in de wei en de mystiek van de jaargetijden. Jan Commandeur is wel de laatste die zal wegdromen bij de stedelijke voorstellingen van een edele plattelandswilde. Bij hem geen Rousseau-achtig sentimenteel optimisme over de menselijke puurheid en de verwachting dat zodra een mens zich 'natuurlijk' gaat gedragen en zijn instincten gaat uitleven, het kwaad dan vanzelf zal verdwijnen om voor het volmaakte geluk plaats te maken.
En toch stromen in het werk van Jan Commandeur de vibraties van het romantische enthousiasme. Uit zijn eigen maaksel wil hij een 'unio mystica' laten ontstaan, iets wat groter, wilder en machtiger is dan hijzelf. Net als alle romantici manoeuvreert hij zich daarbij in een onvermijdelijk dilemma. Aan de ene kant weet hij dat een schilderij iets is wat hijzelf heeft gemaakt. Maar aan de andere kant wil hij het ook als een ontvangen iets, een gevoel of inval van buitenaf beschouwen.
Hij staat voor zijn schilderij als toeschouwer van het grote gebeuren en vergeet daarbij de kwast die hij in zijn hand houdt. Hij is een regisseur die zichzelf wil betoveren met het gevoel van de gevoelens, het geloof van de gelovigen, de gedachte van de gedachten. Al naar gelang zijn stemming komt er dan het genot uit van een oneindig veelvormig en veelkleurig schilderij uit, of de kwelling van het niets.
Voor Commandeur moet schilderen de enige manier zijn om aan de eeuwig- ronddraaiende carrousel van de mode en de geschiedenis te ontsnappen.   De geladenheid die uit bijna elk schilderij van Commandeur spreekt, lijkt te ontstaan in een altijd aanwezige onderstroom van de angst. De angst voor de ontnuchtering, voor het einde van de romantische zekerheid van het moment. Het moment, zoals de grondlegger van de Duitse romantiek Wilhelm Heinrich Wackenroder het beschrijft, dat een 'ontroerend klein geluksgevoel is, dat uit het niets ontstaat, en in het niets ondergaat. Het komt en gaat, en men weet niet waarom. Het is een klein, gelukkig eiland, met de zonneschijn, zang en klank, dat op een donkere, ondoorgrondbare oceaan drijft.'2 Het zijn momenten als deze waarin Commandeur zijn beste werk schildert: bruisend van energie, zich niet bekommerend om de dag van morgen, en steeds verder werkend aan zijn eigen stijl.
Jan Commandeur is de leeftijd en de dwaasheid te boven om mee te hollen in de originaliteitswedstrijd. Zijn werk ademt, ondanks het geladen karakter ervan, de rust uit van al wat groeit door het steeds weer opnieuw bezig gaan met hetzelfde thema. Hij ontdekt en benut de mogelijkheden van het linnen doek bij elk schilderij weer opnieuw. Daarbij slaagt hij er voortdurend geraffineerder in vorm en inhoud met elkaar te verenigen: zijn schilderijen beelden niet alleen echte en grote gevoelens uit, zijn schildertechniek wordt ook intenser en dramatischer. Geen wonder dat Commandeur niet meeloopt met de nieuwste mode. Hij houdt vast aan de schilderkunst, ook als dat door de contemporaine kunstkliek voor een achterhaalde bezigheid wordt versleten. Voor Commandeur moet schilderen de enige manier zijn om aan de eeuwigronddraaiende carrousel van de mode en de geschiedenis te ontsnappen. Zijn uiteindelijke doel lijkt het te zijn, tijdloze en ware ideeën uit te drukken.3 Anders dan in het werk van wetenschappers, waarin de oneindige stroom van oorzaak en gevolg najaagt, en waarbij elk bereikt doel verder wijst naar een volgende, lijken Commandeurs schilderijen altijd al bij hun doel aangekomen te zijn. Zij jagen geen wolken achterna, in de hoop daarmee aan te komen in het punt waar zij de horizon raken.


Wanneer Arthur Schopenhauer over het innerlijke wezen van de kunst nadenkt, dan stelt hij vast, dat niet alleen de filosofie, maar ook kunst de vraag 'wat is het leven?' kan stellen.4 Elk echt en geslaagd kunstwerk, zo meent de Duitse filosoof, kan die vraag beantwoorden. Elk op een eigen manier, en elk met een volledig ander, en in zichzelf sluitend antwoord. Het kunstwerk houdt zich ermee bezig, het leven en de dingen zo te laten zien, zoals ze in waarheid zijn. Dat levert geen Röntgenopname op van hoe de werkelijkheid is, maar een afbeelding die door de nevel van objectieve en subjectieve toevalligheden is versluierd. Is het kunstwerk op deze subjectieve manier gelukt, dan tilt het voor de toeschouwer een klein moment die sluier op, en houdt het zijn publiek een spiegel voor. 'Zo is het leven!' zegt het dan. Het werk van kunstenaars kan daarom, zo gelooft Schopenhauer, voor een ogenblik het wezen van de dingen laten zien. Uit het kunstwerk spreekt dan de volledige wijsheid die in de dingen zelf besloten ligt, en voor zolang dat moment duurt, is dat een ware en algemeen geldige juistheid. Hoe waar het antwoord wat in het kunstwerk besloten ligt ook mag zijn, het zal altijd een tijdelijke, niet eeuwigdurend antwoord kunnen zijn. Telkens moet de kunstenaar op zoek gaan naar nieuwe antwoorden en nieuwe manieren om het antwoord te formuleren.Het genot van het kunstwerk verlangt daarbij wel de medewerking van de toeschouwer. Het kunstwerk moet immers op een resonantie in de fantasie van de toeschouwer kunnen bouwen. Nu kan elke schipper zijn peillood slechts zover in de diepe en donkere oceaan laten zakken als zijn touw lang is. Het allerbeste in een kunstwerk kan alleen in de fantasie van de toeschouwer geboren worden. Daarom zijn de abstracte schilderijen van Jan Commandeur ook vaak indrukwekkender dan de landschappen die de Nederlandse meesters ons hebben nagelaten. De herinnering en de woede die eruit spreekt kan alleen een gevoel van onrust en pijn oproepen, als het niet alleen in de schilderijen, maar ook in de toeschouwer kan stormen en woelen.

 

Literatuur

 

1 Byron, George Gordon, 'Childe Harold', in: Byron, George Gordon, The Complete Poetical Works, ed. Jerome J. McGann, 1980-93.

2 'Eine rührend-kurze Freude, die aus dem Nichts entsteht und ins Nichts vergeht, _ die anhebt und versinkt, man weiß nicht warum: _ ein kleine fröhliche grüne Insel, mit Sonnenschein, mit Sang und Klang, _ die auf dem dunkeln, unergründlichen Ozean schwimmt'. Wilhelm Heinrich Wackenroder, Werke und Briefe, hrsg. von Gerda Heinrich, München: Hanser, 1984, p. 156.

3 Arthur Schopenhauer, 'Vereinzelte Bemerkungen zur Aesthetik der bildenden Künste', in: Arthur Schopenhauer, Die Welt als Wile und Vorstellung, Bd. II, Hrsg. Ludger Lüdkehaus, Zürich: Haffmans, 1988, p. 486-492.

4 Arthur Schopenhauer, 'Über das innere Wesen der Kunst' in: Arthur Schopenhauer, Die Welt als Wile und Vorstellung, Bd. II, p. 471-476.s

 

Contact Biografie Artikelen Galerie Actueel Nederlands Home

last update: 21-10-2004 All rights reserved