Navigatiebalk
 

 

Jan Commandeur (1954)

 

Paul Steenhuis

 

Een beweeglijk en weerbarstig schilder
Gesprek met Jan Commandeur

 
 Paul Steenhuis is kunstredacteur van NRC Handelsblad te Amsterdam
   

Contact Biografie Artikelen Galerie Actueel Nederlands Home


Het is vooral de stuwende, beweeglijke manier van schilderen die opvalt als je de doeken van Jan Commandeur bekijkt. De organische vormen die hij in contrastrijke kleuren schildert, lijken vaak landschappen.
Helgeel zonlicht is er te zien, naast wemelende, aardse groene kleuren, die hij met hemels blauw combineert of dreigender, donkerder partijen waterblauw. Daardoorheen schieten zwarte aders. Schaduwpartijen?
De verf is soms zo aangebracht dat er water lijkt te kolken. Het groen lijkt te ritselen, te bewegen. Schaduw en lichtvlekken verschuiven juist op het moment dat je kijkt: preciese contouren zie je niet, details weigeren tot rust te komen. Landschappen in de klassieke, figuratieve zin van de schilderkunst willen de schilderijen van Jan Commandeur nooit worden. Daarvoor zijn ze te beweeglijk, te weerbarstig.
Daarvoor is ook de schilder te weerbarstig. 'Een precies geschilderd landschap leidt af van waar het om gaat. Het gaat mij om de essentie van een landschap,' zegt hij in zijn Amsterdamse atelier, waar verschillende schilderijen tegen de muur staan: hij werkt graag aan meer doeken tegelijk.

Er zit behalve een zonovergoten, vrolijke kant ook een rauwe, destructieve kracht in de schilderijen van Jan Commandeur.    Commandeur laat zich soms zichtbaar inspireren door een plek, een landschap. Maar hij schildert eerder de herinnering aan die plek, de stemming die dat bij hem opriep, dan het landschap zelf. Stimmungsbilder worden zulke schilderijen wel genoemd. Maar die term dekt de inhoud van het werk van Commandeur niet volledig, omdat een stemming, hoe verrukt of agressief ook, iets tijdelijks suggereert. De stemming verdwijnt weer, een ander landschap, een ander gevoel.
Dat miskent de constante strijd die uit de schilderijen van Commandeur spreekt. Zijn schilderijen zijn de weerslag van de worsteling om tot de essentie van de natuur te komen. Dat geeft zijn schilderijen een bijzondere lading. What makes us tick, wat is de kracht die ons drijft?: in ieder werk lijkt Commandeur daar een antwoord op te zoeken.

De natuur speelt in de geschilderde antwoorden van Commandeur een belangrijke rol. Maar het is niet alleen de natuur als landschap waar het hem om gaat, het is universeler. De organische vormen die hij schildert lijken soms ook wel lichamelijke vormen, organen, of soms zelf kadavers van geslachte ossen zoals de FransRussische schilder Chaim Soutine ze schilderde. Dat is bijvoorbeeld het geval op het doek One Pair II uit 1992, waar je in de abstracte door roze vleeskleur omsloten blauwgroene vormen een karkas zou kunnen herkennen. Niet dat het dat per se is, maar uitgesloten is ook het niet. Net zoals de geeloranje en rode partijen in het groen op het doek Butterfly (ook uit 1992) iets vlezigs en bloederigs krijgen, als je de naar een tere, kwetsbare vlinder verwijzende titel vergeet. Er zit behalve een zonovergoten, vrolijke kant ook een rauwe, destructieve kracht in de schilderijen van Jan Commandeur.


Het is niet zozeer het landschap, maar de natuur als kracht, als levenbrengend en ook levenvernietigend principe dat Commandeur zowel bezingt als bezweert in zijn doeken. Ongeveer zoals de Britse dichter Dylan

Thomas dat deed in zijn gedicht The Force That Through the Green Fuse Drives the Flower:
The force that through the green fuse drives the flower
Drives my green age; that blasts the roots of trees
Is my destroyer.
And I am dumb to tell the crooked rose
My youth is bent by the same wintry fever.

The force that drives the water through the rocks
Drives my red blood; that dries the mouthing streams
Turns mine to wax
(...)

In een vrije vertaling: De kracht die door de groene steel de bloem aandrijft, / Drijft ook mijn groene jaren aan; die door de wortels van bomen knalt / is mijn vernietiger / En ik ben niet in staat de kapotte roos te zeggen / dat mijn jeugd door dezelfde winterachtige koorts vergaat // De kracht die water door de rotsen stuwt / stuwt mijn rood bloed; die stromen doet opdrogen / Verandert mijn bloed in was).

Dat die aardse natuuropvatting zo'n prominente rol speelt in Commandeurs werk is niet verwonderlijk. Hij is een boerenzoon uit het plaatsje Avenhorn in WestFriesland, de bollenstreek in noordwest Nederland. Hij moest van jongsafaan, zoals iedereen in het religieuze (katholieke) gezin, meehelpen op het land: 's zomers moest er aan de bloembollen op het land gewerkt worden, 's winters moesten de dieren op zijn vaders boerderij verzorgd worden.

Dat was noodzaak: er moest hard gewerkt worden om de kost te verdienen, en het werk stopte nooit. Na schooltijd, in de weekeinden, tijdens vakanties: 'Je moest altijd doorgaan. Dat zit als het ware in mijn systeem, ook als ik nu schilder. Je kunt niet even vrij nemen van de natuur. Ik herinner me dat we net al het hooi in pakken op het land verzameld hadden. Het was in de nazomer, het was droog, zoals hooi moet zijn voor je het opslaat. Maar in die nacht ging het regenen, terwijl de pakken nog in het veld lagen. Bij toerbeurt hadden we soms een avondje vrij, en die had ik net gehad. Ik was uitgeweest, en laat op bed gekomen. Maar omdat het hooi nat was, moesten alle pakken weer opengesneden om opnieuw te drogen. En dat moest snel, want anders bedierf de hele boel, en dan hadden de beesten geen eten in de winter. Dus werd ik ook uit bed getrommeld, en moest meehelpen, net als de buren er moest doorgewerkt worden, anders liep de boel echt mis.'De natuur zit, zegt hij, 'in zijn systeem': als kind kwam hij er al mee in aanraking, met die vitale kracht van de natuur niet alleen maar een romantische, maar ook een harde, onverbiddelijke kracht. Het was indrukwekkend, maar ook benauwend. 'Al dat werk, alles wat je elke dag weer meemaakt: ik kon als opgroeiende jongen niet accepteren dat alles wat je deed zo maar verdween. Je maakte van alles mee, ik overdacht dingen, en ik had geen enkele uitlaapklep. Ik kon niets vastleggen. Niets tastbaars bleef er over van alles wat ik deed en overdacht.'  


'De natuur
zit in mijn systeem'



Daarom was het een bevrijding dat hij op zijn negentiende op een ochtend wakker werd met het idee: ik moet een schilderij maken. Hij was tot dan toe nog nooit in een museum geweest, en had niet echt getekend of geschilderd. 'Ik zocht een uitlaatklep, en het idee was er opeens.' Die ingeving zou zijn leven veranderen.
Helemaal vreemd was die ingeving niet: er was een oom die schilderde. Naïeve schilderijen, landschapjes. In de familie werd hij niet helemaal serieus genomen, maar de man nam zijn eigen schilderkunst wel serieus. Jan had het wel eens gezien. Nu maakte hij als negentienjarige ook een schilderij, en het was een openbaring. Alles wat hij in zich had, wat zich opgehoopt had kon hij ineens kwijt. Hij besloot: ik wil schilder worden. Een echte schilder.

Twee jaar later zat hij de op kunstacademie in Amsterdam, de Rietveldacademie. Op de avondacademie wel te verstaan. Want hij was net begonnen met schilderen, dus een indrukwekkende map met werk waarmee hij op de dagopleiding kon worden aangenomen, was er niet. Voor de avondopleiding was dat minder een bezwaar. Bovendien kon hij op die manier overdag geld verdienen om zijn studie te betalen. Want er was thuis natuurlijk niet veel geld, en ook weinig begrip voor iemand die zo maar het boerenbedrijf verlaat om zich aan de kunst te wijden. Maar hij was vastbesloten.
En dus ging hij na de kunstacademie door, eind jaren zeventig, naar Ateliers '63, de prestigieuze, internationaal gerenommeerde kunstopleiding (toen nog in Haarlem, thans in Amsterdam), waar bekende kunstenaars als Jan Dibbets, Ger van Elk, Carel Visser en Toon Verhoef les gaven.
Het was een roerige tijd in de beeldende kunst. Het abstracte modernisme, de toonaangevende kunststroming van de twintigste eeuw, leek in allerlei varianten aan het einde van zijn ontwikkeling en overtuigingskracht te zijn geraakt. Kunstenaars van die stroming, op een hoogtepunt in de jaren zeventig, hadden het schilderen al lang afgezworen als iets wanhopig achterhaalds. Fotografie, nieuwe media, installaties, acties dat waren de uitdrukkingsmidelen met toekomst. De minimalisten en de conceptkunstenaars hadden de toon gezet. Een idee kon al een kunstwerk zijn, waarom zou je dat nog op een ouderwetse manier uitvoeren. Het schilderij was gereduceerd tot een leeg oppervlak: dat oppervlak mocht nog onderzocht worden, maar een schilderij met een afbeelding, of als middel om een gevoel of gedachte uit te drukken dat was passé.
Zowel in Italië en Duitsland, en ook in Nederland, waren jonge kunstenaars die niet nog minimaler of nog experimenteler iets nieuws wilden toevoegen aan de kunst. Het taboe op schilderkunst negeerden ze: de Jonge Italianen en de 'Neue Wilden' uit Duitsland kregen met expressieve en figuratieve schilderijen internationaal erkenning, eind jaren zeventig, begin jaren tachtig.

'In diezelfde periode overwon ik ook mijn angst voor groen als kleur. Dat had ik tot dan toe niet durven gebruiken, dat vond ik te aards.'  

 In die sfeer van herwaardering voor de schilderkunst ontwikkelde ook Jan Commandeur zich. Zowel op de kunstacademie als op Ateliers '63 keken de docenten vreemd op van iemand die zo gedecideerd, aanvankelijk tegen de mode in, vast hield aan zijn eigen idee dat hij schilderen wilde. 'Ze vonden het ook raar dat ik zei: ik ben vooral geïnteresseerd in mijn eigen werk.'
Op Ateliers vond hij zijn vorm als kunstenaar of beter gezegd: zijn inhoud. Want met kleur en ritme, met zijn handschrift had hij nooit veel moeite dat ging min of meer vanzelf. 'Maar het vinden van de inhoud, dat wat ik wilde uitdrukken, dat was mijn worsteling.'
Dat was voor een deel een worsteling met de heersende opvattingen over de schilderkunst, waarvan de inhoud het formele onderzoek naar de schilderkunst was, niet het weergeven van een gevoel of idee. In een poging los te komen van die fundamentele schilderkunst, schilderde hij grote papierrollen vol op Ateliers, van rechts naar links, als linkshandige. Het werden grote zwarte lijnen, abstract soms, maar ook contouren van bomen en bladeren: kortom organische vormen.

Langzaam werd hem duidelijk dat de natuur, zijn geschilderde reflecties op de natuur zijn thema was. Dat was een bevrijding: 'In diezelfde periode overwon ik ook mijn angst voor groen als kleur. Dat had ik tot dan toe niet durven gebruiken, dat vond ik te aards. Maar daar begon ik meer mee te werken.'
De schilder had zijn thema gevonden, en omdat ook het tij voor de schilderkunst aan het keren was, hing zijn werk een jaar nadat hij Ateliers afgerond had in de vooraanstaande Amsterdamse galerie Art & Project. Dat was in 1980. Ook elders werd hij gepresenteerd als een van de jonge Nederlandse 'wilde' schilders. En een jaar later kreeg hij van koningin Beatrix een koninklijke subsidie voor de vrije schilderkunst, en werd zijn werk geëxposeerd in het koninklijk paleis op de Dam in Amsterdam.



Het is, zoals gezegd, vooral de beheerste heftigheid, zowel in handschrift als in kleur, die opvalt in Jan Commandeurs schilderijen. Hij gaat niet buiten zitten om een landschapje te schilderen. Hij maakt zijn schilderijen zonder uitzondering in zijn atelier. Maar hij vindt zijn inspriratie buiten.
Zo maakte hij in de jaren tachtig ondermeer schilderijen gebaseerd op het landschap in de Franse streek Les Landes, waar donkere naaldbossen zijn, en de Atlantische Oceaan dichtbij is. 'Die sfeer, het donkere groen, de openheid van de zee, de geuren, de gevoelens die je daarbij hebt en de herinneringen, de dingen die je mee hebt gemaakt: al die dingen samen leveren een beeld op. Het is een kracht die je met je gemoed oproept. Die kracht, dat beeld probeer ik te schilderen. En dat schilderen daarvan gaat eigenlijk heel goed als ik er niet te veel bij nadenk. Ik improviseer niet: het moet in een keer gaan. Ik moet er wel aan doorwerken, maar hoe meer ik corrigeer en polijst, hoe meer ik later toevoeg of weghaal, hoe minder geslaagd het schilderij wordt. Ik werk naar geladenheid toe die het beeld voor mij moet hebben, en dat staat er niet meteen op. Daar moet ik wel mee worstelen op het doek, maar het moet ook niet te beredeneerd en te krampachtig worden. Daarom werk ik graag met olieverf: dat materiaal heeft al een zekere weerstand. De worsteling zit al in het materiaal. En daarom werk ik ook graag een verschillende doeken tegelijk; dan kan je doorwerken aan een ander doek als je even kwijt bent hoe het ene verder moet.'

Er is een duidelijke ontwikkeling in de schilderijen van Jan Commandeur te bespeuren. Met de jaren wordt zijn werk steeds opener, vrijer en spontaner geschilderd. Dat is een van de belangrijke kwaliteiten van zijn werk, die beheerste losheid.
Zijn werk staat wat dat betreft volledig in de traditie van bijvoorbeeld Willem de Kooning (19041997) die een meester was in de spontane abstracte schilderkunst. Hoewel, abstract in veel van De Koonings werk, dat Commandeur bewondert, zijn vaak nog sporen van figuratieve elementen te ontdekken. Net als in de schilderijen van Jan Commandeur. Dat maakt hun werk spannend om naar te kijken.
Want het menselijk oog werkt volgens wetenschappers nog altijd zoals dat van een jagerverzamelaar: het speurt de omgeving af naar prooi of gevaren. Een vlekje bruinrood in een strook groen struikgewas kan daardoor ineens betekenis krijgen: is het een blad of een dier dat in het groen verborgen zit? Een donkere schim in de bosrand: is dat een beest of een schaduwpartij?

 We hebben die capaciteit om betekenis te hechten aan onbekende of vaagbekende vormen tot grote hoogte ontwikkeld: in wolken of vlekken op het behang kunnen we moeiteloos gezichten, dieren of spoken ontwaren.
Naast alle hogere, culturele en esthetische factoren, bepaalt die elementaire vaardigheid van oog en brein mede het plezier dat een mens kan ontlenen aan het bekijken van een schilderij.
Volgens de Rembrandtkenner dr. Ernst van de Wetering uit Amsterdam, hoofd van het internationale Rembrandt Research Project, gaat die elementaire prikkel van kunstgenot nog verder: hij is ervan overtuigd dat kijken meer dan een zaak van de ogen en hersenen is. Je hele lichaam doet mee ook als je stil voor een schilderij staat. Als je een spontaan getekende lijn of schildertoets ziet, herbeleef je eigenlijk de beweging die de schilder maakte. Hoe natuurlijker en beweeglijker een lijn of schildertoets op het doek staat, hoe meer een toeschouwer meevoelt met de beweging.
Rembrandt is wat dat betreft een onovertroffen meester, volgens Van de Wetering. Hoe een kunstenaar die overdracht van spontaniteit tot stand brengt is uiteindelijk een raadsel. Maar het mag duidelijk zijn dat er sprake moet zijn van een beheersing bij het aanbrengen van die spontane lijn of verftoets. En Jan Commandeur bezit die gave ook.
  Een donkere schim in de bosrand: is dat een beest of een schaduwpartij?




Ook de composities van Commandeur zijn de afgelopen jaren opener en toegankelijker geworden: ze lijken niet gewrocht, door moeizaam zoeken tot stand gekomen. Alles lijkt als vanzelf op de juiste plaats gekomen te zijn alsof de vormen en kleuren van nature op die plek op het doek horen, waar ze nu zijn aangebracht.
Dat zijn schilderijen, en meer nog zijn gouaches, meer en meer bijna soepel tot stand lijken te komen, betekent niet dat ze minder geladen zijn.
Het is niet zo dat iemand die een doek van Jan Commandeur in huis neemt louter een zorgenloos bloemstukje of zonnig landschapje aan de wand krijgt.
Zeker, er zijn vrolijk kleurige doeken bij, vol bonte contrasten, zonnige doeken soms ook, zoals bijvoorbeeld de doeken geïnspireerd op zijn verblijf in de Dordogne, geschilderd in 1998. Maar hoe zonnig, blond, vol van goudgele kleuren of springerig rood, oranje de doeken ook zijn, er is altijd een schaduw aanwezig. Er is altijd een raadselachtige duisternis in de donkere partijen, alsof in de schaduw onheil loert bij alle uitbundige kleurenpracht, bij alle vitaliteit is ook altijd de destructieve kracht van de natuur voelbaar in zijn doeken.


 'Ik ben gevoelig voor somberheid, maar ik zwelg er niet in. Ik ben een positieve romanticus.'

   Dat komt ondermeer door Commandeurs expressionistische, geladen penseelstreken en door zijn haast symbolistische kleurgebruik. Zijn donkere kleuren zijn niet alleen maar omwille van kleurcontrasten aangebracht. Het zijn betekenisvolle kleuren, in de zin dat ze bedoeld zijn om stemmingen op te roepen. Neem bijvoorbeeld het schilderij Ent uit 1992, waarop zwarte vormen met tentakels overheersen, maar waar je door die duistere vormen die je tegen lijken te willen houden, een helgele vorm in het midden van het schilderij ziet: alsof je uit de duisternis, de schaduw, naar het licht, de bevrijding kruipt. Wellicht is dat een veel te letterlijke, figuratieve interpretatie van het doek, maar dat laat onverlet dat je als beschouwer van het schilderij het overheersende zwart op het doek, met alle blauwe, rode en geelgroene nuances, als dreigend ervaart, en het geel als licht, als bevrijdend, veilig.
De schoonheid, de natuur, die Jan Commandeur schildert, heeft ook een duistere kant, zoals in Dylan Thomas' gedicht.
Het is dan ook geen wonder dat Commandeur zich behalve voor de virtuoze en vitale De Kooning interesseert voor schilders uit deze eeuw die zich bezighielden met de uitdrukking van de duistere kant van het leven, zoals de Noorse schilder Edvard Munch (18631944): hij wist in zijn schilderijen angst en nachtmerries, de beklemming zichtbaar te maken. Ook de OostEuropese Parijse schilder Chaim Soutine (18941943) wordt door Commandeur bewonderd. Die schilderde ondermeer dode dieren met een expressionistische toets, waardoor het tegelijk uitingen van zieleangst, en uitdrukkingen van woede en pijn over het leven werden.


Niet alleen om zijn achtergrond Emil Nolde was boerenzoon ook om zijn expressionistische schilderkunst voelt Jan Commandeur zich met de Duitse schilder Nolde (18671956) verwant. Met zijn groepsgenoten van de schilderbeweging 'Die Brücke' zocht Nolde naar een manier om het natuurlijke, oorspronkelijke in zijn schilderijen uit te drukken.

De invloeden van deze schilders zijn, als je Jan Commandeurs werk bekijkt wel bespeurbaar, maar hij is zeker geen navolger van een van hen. Hij geeft zijn eigen visie op de thematiek, in zijn eigen weerbarstige vormen en kleuren.
'Het is misschien een wat zwaar woord, maar deze vier schilders beschouw ik als zielsverwanten. Uit hun werk spreekt een emotie, een echtheid, die ik bewonder en die ik ook wil leggen in mijn schilderijen. Er zit behalve vitaliteit ook een soort woede, boosheid over het leven in, die ik na kan voelen.'
De donkere kant is, zoals gezegd, aanwezig in de schilderijen van Commandeur, maar heeft niet de overhand. 'Ik ben gevoelig voor somberheid, maar ik zwelg er niet in. Ik ben een positieve romanticus.'
Je zou ook kunnen zeggen dat hij een te aardse romanticus is, om in somberheid te zwelgen. Je kunt noch als boer noch als kunstenaar op bed blijven liggen treuren om alle ellende in de wereld. Er wacht werk, ook al is de dood alomtegenwoordig, er ritselt alweer nieuw leven tussen oude struiken. Dat is wat Jan Commandeur wil schilderen: het hele leven, the force that through the green fuse drives the flower.


Home | Nederlands | Actueel | Galerie | Artikelen | Biografie | Contact


last update: 21-10-2004 All rights reserved